Vlinders

Werkstukken en spreekbeurten

Heb jij weleens gehoord van het koolwitje, de atalanta, de dagpauwoog, het citroentje en het boomblauwtje? Het zijn allemaal vlindersoorten.

Vleugels

Vlinders hebben net als alle andere insecten zes poten. Hun lijf bestaat uit drie delen: kop, borststuk en achterlijf. Ze hebben vier grote vleugels, vaak met een mooie tekening. De vleugels zijn bedekt met heel fijne schubben. Deze schubben zorgen voor de kleur. De felle kleuren schrikken vijanden af. Bij sommige vlindersoorten lijkt het alsof er een oog op hun vleugels staat. Ook dat werkt tegen vijanden.

Ogen

Ook de ogen van een vlinder zijn bijzonder. De bolle ogen bestaan uit duizenden kleine oogjes (facetten). Elk oogje ziet zijn eigen beeld. De hersenen maken van al die beeldjes één geheel. Daardoor zien ze alles om hen heen. Zo kunnen zij vijanden goed aan zien komen. Vlinders kunnen niet goed zien op grote afstand. Wel kunnen ze heel goed ruiken. Dit doen ze met hun voelsprieten.

Rups

Een vlinder legt honderd tot duizend eitjes op een plant. De rupsen die uit de eitjes komen, gaan meteen van deze plant eten. Na ongeveer een maand van alleen maar eten, is de rups meer dan honderd keer zo groot geworden. Dan wordt zijn huid een harde schaal. Dit noemen we een pop. Binnen in de pop verandert de rups in een vlinder. Dit kan in een week, maar bij sommige soorten duurt het wel een jaar! De vlinder kruipt uit de pop. Hij pompt bloed in de vleugels, die zich strekken. Na een paar uur drogen in de zon is hij klaar om te vliegen.