Zaden en vruchten

Werkstukken en spreekbeurten

Er zijn zaden in allerlei soorten, vormen en maten. Weet je dat planten en bomen zaden maken om zich voort te planten?

Een pakketje plant

Zaden zijn pakketjes met een kiem (jong plantje), reservevoedsel voor de eerste groei en een beschermende buitenlaag. De buitenlaag is stevig genoeg om het zaadje goed te houden tot het gaat ontkiemen (groeien). Dat doet het pas als er voldoende warmte, lucht en water is. Eerst groeien er wortels uit het zaadje de grond in. Daarmee kan het zaadje zelf water en voedsel uit de grond halen. Daarna groeien er kiemblaadjes boven de grond uit. Die helpen mee om zelf voedsel te maken.

Hoe ontstaan zaden?

Een plant maakt zaadjes om zich voort te planten. Uit deze zaadjes kunnen weer nieuwe planten groeien. Zo kan de soort blijven bestaan. De meeste planten maken bloemen. In die bloem zit een stamper met daarin eicellen. In de bloem zitten ook meeldraden met daarop stuifmeel. In het stuifmeel zitten de zaadcellen van de plant. Die zaadcellen moeten naar een andere plant gebracht worden. Insecten komen af op de kleur en geur van bloemen. Het stuifmeel blijft aan hun lijf kleven. In de volgende bloem blijft het stuifmeel achter. Samen met de eicellen vormt het stuifmeel een vrucht. En in die vrucht zitten de zaadjes voor nieuwe planten.

Zaad verspreiden

De zaden van planten worden op verschillende manieren verspreid. Sommige zaden hebben vleugels, een plataan bijvoorbeeld. Of ze hebben parachutes, zoals de paardenbloem. Deze worden dan door de wind verspreid. De zaden van bijvoorbeeld de kokospalm en waterlelies drijven mee op het water. Sommige planten hebben vruchten. Als deze rijp zijn, barst de droge dop open en springt het zaad er met een geweldige klap uit. Dieren, bijvoorbeeld vogels en konijnen, helpen ook mee aan de verspreiding door zaden te eten. Sommige zaden blijven kleven of hebben haakjes. Ze blijven aan de vacht van een dier zitten en worden op die manier verspreid.