Turnen

Werkstukken en spreekbeurten

Bij het turnen wordt aan kracht, snelheid, lenigheid, uithouding en evenwicht gewerkt. Je traint bijna al je spieren op hetzelfde moment!

Geschiedenis

Ongeveer 2500 jaar geleden zagen de Grieken turnen al als een echte sport. Zij waren dan ook de eersten die turnwedstrijden organiseerden. Een tijdje later veroverden de Romeinen Griekenland. Zij merkten dat turnen goed was voor de training van hun soldaten. Na de Romeinen verdween het turnen. Pas in 1700 was het de Duitser Friedrich Jahn die turntoestellen begon te maken. Hij richtte ook de eerste turnclubs op. Hierna werd het turnen over heel Europa verspreid.

Vormen

Bij het turnen draait het om de vormen die je met je lichaam kunt maken. Of dit nu op de vloer, de evenwichtsbalk, aan de brug (twee lange ronde latten naast elkaar) of in de lucht is. Iedere turnbeweging vraagt om het maken van bepaalde vormen. Bij het turnen ga je van de ene vorm of houding naar de andere. Deze techniek maakt het turnen ook zo mooi om naar te kijken. Het is daarom erg belangrijk dat je je hele lichaam leert gebruiken. Pas als je lichaam sterk en soepel is kun je de vormen die je wilt maken goed uitvoeren.

Evenwichtsbalk

De balk of evenwichtsbalk wordt alleen bij het meisjes- en vrouwenturnen gebruikt. Tijdens wedstrijden moeten turnsters een serie oefeningen uitvoeren. Deze bestaan uit evenwichtshoudingen, sprongen, zwaaien en draaien. Ieder onderdeel moet vloeiend in het andere overgaan. Deze oefeningen zijn op de vloer natuurlijk veel gemakkelijker dan op de balk. Het kost dan ook heel veel tijd voordat een turnster zich goed kan bewegen op de balk.