Temperatuur

Werkstukken en spreekbeurten

De temperatuur geeft aan hoe warm of koud iets is. De temperatuur is ook van invloed op de vorm van een stof. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met water als je het heel koud of juist heel warm maakt? IJs en stoom zijn water, maar dan in een andere vorm!

Graden Celcius

De temperatuur wordt gemeten met een thermometer. Er bestaan verschillende soorten thermometers. Zoals een thermometer die je in je mond moet steken om te meten of je koorts hebt. Of een thermometer die buiten aan de muur hangt en aangeeft hoe warm of koud het is. De temperatuur wordt aangegeven in graden Celcius. Hoe warmer iets is, hoe hoger de temperatuur. En hoe kouder iets is, hoe lager de temperatuur.

Lichaamstemperatuur

Als je gezond bent, heeft je lichaam een temperatuur van ongeveer 37 graden. Als het lichaam te warm wordt, ga je zweten. Het zweet verdampt en daardoor verlies je warmte. Als het lichaam te koud wordt, ga je rillen. Door de beweging van je spieren ontstaat er warmte.

Vloeistof, vaste stof en gas

Afhankelijk van de temperatuur kan een stof in drie vormen voorkomen: vloeistof, vaste stof en gas. Door de verandering van temperatuur verandert de stof van de ene vorm in de andere vorm. Een voorbeeld is water – ijs – stoom.

  • Water is een vloeistof. Als je water heel koud maakt, nul graden Celsius, dan bevriest het. Het wordt ijs. 
  • IJs is een vaste stof. Want de vorm van ijs verandert niet. Als de temperatuur weer boven de nul graden komt, smelt het ijs. Het wordt weer vloeibaar: water dus. 
  • Stoom (of waterdamp) is een gas. Als je water heel heet maakt, honderd graden Celsius, gaat het koken. Het water begint te borrelen en er komt stoom af. Die stoom bestaat uit heel kleine deeltjes water. Die deeltjes kunnen alle kanten op. Als waterdamp afkoelt, wordt het weer water.